Direct naar Ticketshop

Dwaler 21 "Zang en ziekte" Epiloog
Thursday, 29 September 2016 07:40
Uit Spel informatie:
Na avond na de gebeurtenissen van Dwaler 21 kreeg jouw personage een droom. De droom voelde vreemd, als of die niet van jou was. Je weet het eigenlijk wel zeker, immers heb je de laatste tijd vaker dit soort dromen gehad. Elke keer weer zijn ze levensecht.



Je ziet hoe de kronkelende wortels vlak voor je uit de grond komen zetten. Het verdraaide hout vormt een beschermende cirkel om jou, jouw moeder en haar woeste mannen en vrouwen heen. De lichamen van haar mensen zijn bedekt met runen en besmeurd met het bloed van de laatste jacht. Ze springen en brullen. Hun ogen zijn groot. Zij hebben gegeten van de zwam en gedronken van de zoete drank. Nu zijn zij als wolven. Je kijkt naar moeder. Strepen van grijs hebben hun weg gevonden door haar bruine haren. Ze is oud, heel oud zelf, maar dat verstopt ze. Ze noemen haar Aldinn Manngi. Oude Niemand. Voor jouw is ze niet niemand. Voor jou is ze moeder. Ze is mooi.

Je hoort geschreeuw van buiten de cirkel. Heel veel stemmen, maar ze klinken allemaal hetzelfde. Ze klinken als angst. Je kan ze niet goed zien door de lap over je ogen. Moeder heeft je bedekt met stof, huid en vacht, zodat de zon jou niet kan vinden. Hoewel de dwalenden nog te ver staan om te zien, kan je ze al ruiken; de geur van kerk, kruis en God. Je laat, van walging, een diepe brul van onder in je buik. De lage, bulderende toon brengt je maag in beweging en maakt voelbaar wat er in zit; botten, het vlees van mens en ljósálfar, en de fles die moeder jou heeft gevoerd. De fles was belangrijk, had moeder gezegd. En bij jou is die veilig.

De dwalenden van deze plaats komen dichterbij. Dat is niet slim, weet jij. Zij zullen voelen dat wolfmensen geen angst kennen. Je hoort hoe moeder haar stem verheft en haar bezeten wolven op hun prooi loslaat. Haar stem trilt wanneer zij hen gebiedt niet één nagel te vergeten. Je denkt terug aan de laatste keer dat moeder haar ulfhednar losliet. Jij was er bij. Het afscheuren van de nagels van alle bebloedde ljósálfar duurde langer dan de slachting zelf. Maar het moet van moeder, altijd, om de bouw van het dodenschip uit te stellen. Ook dit maal vechten moeders dienaren als beesten. Dit maal, echter, is hun prooi beter bestand tegen een aanval. In plaats van direct hun tanden in halzen te zetten en vlees aan stukken te scheuren, storten de wolfmensen zich nu vreesloos op schildmuren om vervolgens hun bijlen en zwaarden door huid en bot te slaan. Een bekende geur vindt zich een weg naar jouw neus. Bloed vloeit.

Het groene gras kleurt met elke slag meer rood. Nog even en ook jij mag moeder trots maken. In de cirkel van kronkelend hout zingt moeder zachtjes haar bezwerende zang. Geen wapen zal jou zeer doen. Daar zorgt moeder voor. Een man met een gekke bijl komt voor de cirkel staan. Moeder lacht hem uit. Hij die het dubbelspel speelt heeft moeder verteld over de bijl, gemaakt om jou zeer te doen. Gemaakt met runen van dvergr en verwoven met de woorden van moeder zelf. Moeder heeft gezegd dat niemand jou kan verslaan. Dus hebben de dwalenden een bijl gemaakt met de naam 'niemand'. Haar eigen woorden tegen haar. Het maakt niet uit. Haar galdr is krachtig. Jij bent krachtig. Moeder streelt langs je gezicht. Het bloed op haar vingers voelt nog warm. Haar aanraking nog warmer. Dit keer zingt zij haar bezwering luidkeels. Je voelt de kracht van haar zang, die zij op jou richt. Zij brengt je naar de rand van de cirkel. Met je grove handen verstevig jij je grip op je hamer; een wapen zwaarder dan een mens zou kunnen tillen. Je weet wat je te doen staat. Om de Askafroa te dienen moeten de ljósálfar, die bij de laatste slachting zijn ontsnapt, het leven verlaten. En er staan een boel dwalenden tussen jou en hen..

Elke stap die jij met je massieve benen zet laat de grond trillen. En niet alleen de grond; de dwalenden trillen van angst. Wanneer je dichterbij bent zie je duidelijker hun gezichten; bleker dan de wintersneeuw. Zij zijn als een stromende rivier die bij een rots uiteenwijkt. Alleen dit keer staat de rots niet stil in het water. Met wijde slagen beweeg jij je hamer door de lucht. De meesten deinzen achteruit. En terecht, want elke rake slag gaat gepaard met barstend hout of brekende botten. En geschreeuw. Veel geschreeuw. Toch hoor je nog de stem van moeder. Haar zang klinkt als een ijzige wind, maar voor jou voelt het als een warm vuur. Zwaarden en andere wapens raken jou, maar tevergeefs. Niet één wond weten zij aan te brengen. Zij weten niet met wie zij te maken hebben, hoe krachtig de zang van moeder is.

Een snee? Je voelt een kleine snee in je dikke, ruwe huid. Het is de bijl 'niemand'. Een snee. Nog een snee. Moeder. Je beweegt je terug naar moeder. Een lage gorgel klinkt uit het diepste van je keel wanneer moeder haar bebloede vingers teder op je kop legt. De wonden sluiten zich terwijl zij haar woorden weeft. Je staat op, rekt je rug en raast als een donderstorm weer het veld op. Dat hun wapens niks doen lijkt de dwaze dwalenden niet te stoppen. Dit maal verschijnen mensen met kleding uit het noorden. Zij proberen jou te stoppen met touw. Je kijkt naar ze. Hun vierkante kaproenen wijzen met een punt naar beneden. Met een kleine ruk aan hun touw vliegen zij hun kaproenen achterna. Weer snijdt de met runen gegrafeerde bijl lichtelijk door moeders bezwering. Het is geen probleem. Jij bent machtig en moeder maakt jou weer sterk. Hoe ver je ook van moeder bent, je voelt hoe zij met galdr voor jou zorgt. Jouw armen raken niet vermoeid. Met elke slag breng jij jezelf, en daarmee moeder, dichterbij jullie doel.

Plots is de Christengeur sterker en dichterbij dan ooit. Sneller dan jouw kolossale gestalte zou doen vermoeden draai jij je om. Voor je staat een manmens. Nee, een jongen. Hij draagt zwart, met een rood kruis. Je maag draait bij zijn aanzicht, terwijl jouw hoofd vult met walging en haat. Zonder ook maar een moment van twijfel smijt jij jouw hamer opzij. Twee passen brengen je bij de jongen en één beweging brengt hem, ademloos, op de grond. Jij daalt op hem neer. Om de beurt breng jij je vuisten naar zijn gezicht en al snel is er van een gezicht geen sprake meer. Snel daarna voel je dat jouw vuisten de grond raken. Waar net nog een hoofd was is niets meer dan verbrijzelde stukken schedel en andere resten uit de binnenkant van de mens.

De gezichten van de dwalenden spreken twee woorden; vrees en dwaasheid. Moeders roedel blijft aanvullen en elke wolf stort zich zonder aarzelen de menigte in. De strijd is een ritme. En moeder, zij zingt over dit ritme haar lied. Wanneer de chaos en vernieling op zijn hoogtepunt lijkt, voel je zware stappen van achter het bos komen. Een ijzige wind brengt de geur van de dood. Je voelt hoe blikken vol haat zich naar de levenden wenden. Je weet wat het zijn. Draugr. Moeder heeft schatten uit hun tombe laten stelen en hier, bij deze dwaalplaats, laten verstoppen. Sindsdien lopen de doden; oude krijgers uit jullie Noorderlijke thuis. Moeder heeft hen losgelaten en zij stoppen niet tot zij hebben wat van hen is. Met zware slagen banen de doden een weg door het de krioelende massa van vlees. Zij maken geen onderscheid. Alles wat in hun weg staat voelt hun staal. Terug vechten heeft geen zin. Alleen overleven. De draugr maken hun weg naar het dwaaldorp. Daar zullen de schatten liggen, ergens. Snee. De dwalenden blijven volhouden. Snee. Hun wapens doen niks. Snee. Maar de bijl genaamd niemand blijft een doorn in het oog.

Weer beweeg jij naar moeder, die met uitgestrekte armen klaar staat om jou in de beschermende cirkel te ontvangen. Zij streelt jou liefdevol. Haar ogen zijn somber en de klanken van haar zang zijn weemoedig. De warme gloed van haar stem kruipt over je huid en de wonden trekken dicht. Jij had zeer, dus moeder ook. Maar jouw zeer is nu weg. Die van moeder niet. Moeder mag geen pijn meer hebben. De dwalenden moeten breken. De valse bijl-drager moet vallen. En daarna moeten de ontsnapte ljósálfar de grond in. Dan is het geheim van de Askafroa veilig. Dan is de grote boom trots op moeder. En dan is moeder gelukkig. Gesterkt en beschermd door moeder haar galdr stamp jij wederom het veld op. De strijd is als een storm en jij bent de donderslagen. Hun slagen zijn als regendruppels op steen. Snee. De niemand-bijl. Het deert niet, je kan het hebben. Jij bent als een machtige berg. Snee. Het gloeiende gevoel kruipt langzaam van jou weg. Moeders bezwering richt zich op een ander. Je voelt een zwaard. Een speer. Moeder richt zich op de bijl-drager. Steek. Slag. De bijl-drager vertraagt zijn pas. Snee. Moeder is hem aan het vervloeken. Waarom? Kon moeder het niet aanzien dat ook maar één wapen jou pijn deed? Je voelt hoe de slagen jouw huid beginnen te splijten. Langzaam voel jij de kracht van moeder weer over jouw lichaam glijden. Waar jouw huid is gebroken scheurt het vlees. Moeder weeft haar lied weer voor jou, je voelt het, maar niet snel genoeg.

Jouw vlees is gebroken. Ondraaglijke pijn schiet door je massieve lichaam. De grond trilt wanneer je op je rug valt. De wonden zijn niet te tellen. Je voelt hoe het leven langzaam uit jouw lijf trekt. Een groep dwalenden komt om jou heen staan. Voor het eerst in je leven torenen anderen boven je uit. Iemand brengt een mes naar je buik. Eerst scheur de stof, bedoeld om jou tegen de zon te bedekken, en dan scheurt jouw huid. Je voelt de koude buitenlucht tintelend jouw binnenste ontmoeten. Een groengekleed Christenmens steekt zijn zwaard in het gapende gat in jouw lijf. Hij roert in jou, zoals de heksen van de kring in hun ketels doen. De marteling is meer leed dan jij ooit hebt gevoeld. De figuren om je heen worden steeds vager. Ze zijn enkel nog zwarte, vormloze schaduwen. De stem van moeder, echter, is nog kristalhelder. Zij schreeuwt. In haar woede hoor jij verdriet. Het koude zwaard verlaat jouw buik en maakt plaats voor handen. Grijpgrage klauwen banen hun weg door de bloederige inhoud van jouw maag. Waarom? Bot en vlees worden naar buiten getrokken. Waarom doen ze..? De hand vindt de fles. De fles die jij veilig zou houden. Hoe wisten ze.. Dat wisten alleen..

De zon vindt, door de scheuren in de stof en vachten, zijn weg naar jouw huid.
Het kille gevoel verspreidt. Stukje voor beetje kruipt het verder. Langzaam wordt jij van steen.

In de verte hoor jij moeder. Zij roept jouw naam.

Zou ze trots zijn, op haar Brynn?

Je hoort haar stem, vurig en somber. Zij spreekt van vervloeking.

Je voelt niets.

Enkel nog de kou.