Direct naar Ticketshop

Quon - Cultuur en Samenleving

Quon terug_naar_settingsinformatieWapenschild Quon webHet Keizerrijk Quon staat bekend als het land dat groots is geworden door tegenslag. Quon is het meest centraal gelegen land in Erumdar en heeft in het verleden vaak te maken gehad met agressieve buurlanden. Maar vooral de recente oorlogen met Vodan en Hastaria hebben bewezen dat Quon wel degelijk weerbaar is. Het land wordt tegenwoordig bestuurd door de regentes Blarique Vilash en de Senaat, gezien het laatst levende kind van de voormalige keizer nog te jong is om zelf te regeren. Vilash, die Ricardon Armitage opvolgde, ziet het einde van de recente Godenoorlog en het opstaan van een Nieuw Pantheon in Quon als een nieuw begin voor het Keizerrijk. Haar trots op Quon wordt tegenwoordig gedeeld door een groot deel van de bevolking en zit tegen het nationalistische aan.

Een van de grote trotsen van de Quonezen is het feit dat de goden van het Oude Pantheon hun land kozen om in te sterven, en het Nieuwe Pantheon tijdens de Godenoorlog van Zasyak in Quon zijn ontwaakt. Deze goden zijn tegenwoordig de hoeders van heel Erumdar en worden in de meeste landen aanbeden, maar gezien zij zich voor het eerst hebben getoond in Quon, heeft Quon zichzelf bestempeld tot het Keizerrijk der Goden. Ook het ontstaan van de godin Nyarayn door de samensmelting van Aurus en Zasyak, heeft plaatsgevonden in Quon, en om die reden heeft de Senaat Nyarayn, het hoofd van het Nieuwe Pantheon, tot de belangrijkste godin van het land uitgeroepen. Het ontwaken van de nieuwe goden heeft ook zijn weerklank gevonden in het vernieuwen van de jaartelling in Quon. Het jaar dat het Nieuwe Pantheon de plaats in nam van het Oude Pantheon wordt nu als jaar 1 gezien, oftewel als het begin van een nieuw tijdperk.

Door heel Quon zijn de tempels en altaars voor de Oude Goden omgebouwd tot tempels en altaars voor de Nieuwe Goden. Deze tempels worden onderhouden door nieuwe priesterorden. Priesters genieten alleen een korte opleiding onder een meer ervaren medepriester, maar hebben vooral gemeen dat zij zich geheel overgeven aan de wil van hun respectievelijke Goden. Priesters in Quon houden zich niet vast aan eeuwenoude documenten, maar kijken elke dag weer of zij de wil van hun goden kunnen doorgronden door naar de wereld om hun heen te kijken. Hoeveel vogels vliegen er, welke kant staat de wind op, hoeveel regent valt er, voor priesters zijn dit tekenen van de goden dat zij tevreden of onstuimig zijn. Zijn de goden tevreden, dan is het een juiste dag om handel te drijven of ten strijde te trekken, zijn de goden boos, dan moet men die dag besteden met het eren van de goden om ze te kalmeren. Zo hebben de goden, en hun priesters, erg veel invloed op het dagelijks leven in Quon.

Naast de priesterorden zijn er door het hele land paladijnenordes opgericht ter handhaving van de waarden waar de Nieuwe Goden voor staan. Deze orden, waarvan het gros de keizerlijke steun geniet, hebben het recht om te vechten voor hun respectievelijke goden en staan in sommige gevallen boven de wet. Zo mogen paladijnen van Nyarayn zelf recht spreken en hoeven paladijnenorden enkel de orders te volgen van hun eigen meerderen.

De maatschappij van Quon is er een van hardwerkende burgers. De bewoners van het land zijn allemaal vrij, op de manier dat ze niet gebonden zijn aan een heer of stuk grond. Wel moeten zij belastinggelden afstaan aan de heer van de stad of landerij waar zij wonen. In tijden van oorlog is de heer verantwoordelijk voor de bescherming van de inwoners van zijn land, maar kan hij ze ook oproepen om te strijden voor het Keizerrijk. De meeste burgers van Quon werken in de voedselvoorziening. Zij zijn vissers, boeren of houden grote kuddes vee. Anderen houden zich bezig met ambachten en maken de prachtigste voorwerpen die zowel in binnen- als buitenland worden verkocht. Quons belangrijkste exportproducten zijn wol en hout, en de bijbehorende producten zoals laken en meubels. Weer anderen houden zich bezig met het beschermen en besturen van het land. Zo kent Quon erg veel magistraten en beroepssoldaten die er samen voor zorgen dat de maatschappij draait en de vrede bewaard blijft.

Magie speelt binnen de maatschappij van Quon een grote rol. Magie maakt het dagelijks leven makkelijk voor hen die het weten te beheersen, en deze magiërs genieten een hoog aanzien in het land. Quonezen zoeken naar steeds nieuwe manieren om met magie het leven te vergemakkelijken en staat tegenwoordig voorop in innovaties op dit gebied. Maar, doordat mensen hun heil zoeken in magie, is er al eeuwen geen sprake meer van technologische vooruitgang in het Keizerrijk.

Sinds het koninkrijk Quon veranderde in het keizerrijk Quon zijn haar inwoners erg gesteld geweest op de reputatie en naam van hun land. Verreweg de meeste Quonezen zien het land en zichzelf als vooruitstrevend en het grote voorbeeld van Erumdar. Quon is een land dat groot en machtig is geworden door strijd en dit is iets waar iedereen in Quon trots op kan, en moet, zijn. Een gevolg van deze gedachtegang is het Quoneze geloof in de pax antropos, de perfecte mens. Volgens dit ideaalbeeld zou de perfecte Quonees zowel zijn lichaam als zijn geest trainen. Hij zou zich moeten bezighouden met de kunst van het zwaardvechten, paardrijden en jagen, maar ook met muziek, handwerk en dans. Hij zou welbespraakt en vredelievend moeten zijn, maar ook immer moeten opkomen voor de glorie van de keizer en het keizerrijk. In de praktijk streeft vooral de bovenklasse dit ideaal na en is het sport geworden om zo snel en zo goed mogelijk te voldoen aan het pax antropos.

Vlag TriQuon webSinds in de vroege dagen van het keizerrijk de keizer Rowintil II in Tri-Quon de eerste Spelen hield, is dit een groot jaarlijks terugkerend festijn geworden. Tijdens de Spelen loopt heel de stad uit naar de grote arena waar vervolgens speciaal getrainde krijgers, kampvechters, elkaar vaak tot de dood bestrijden. De kampvechters zijn vaak vrijwillig in deze positie gekomen, maar er zijn ook geruchten dat dit ter dood veroordeelde misdadigers of, erger nog, opgekochte slaven uit het woestijnland Shubië zijn. Naast de gevechten worden er tijdens de spelen ook nog een grote markt gehouden en trekken circustroepen en theaterfamilies naar de stad toe om het publiek te vermaken. Tegenwoordig kent elke grote stad in Quon wel de Spelen en is het niet meer alleen in de hoofdstad.

Quon heeft al sinds jaar en dag een geschreven wet die voor iedere inwoner van het land geldt. De wetten worden gehandhaafd door het plaatselijke gezag, dus baronnen en graven en hun gezworen ridders of dorps- en stadswachten. Hoewel vroeger elke edelman mocht rechtspreken, wordt deze bevoegdheid steeds vaker afgegeven aan een onafhankelijke rechter. De straffen in Quon bestaan voornamelijk uit boetes, dwangarbeid of gevangenisstraf. Lijfstraffen en de doodstraf worden enkel in extreme gevallen uitgevoerd, maar komen zeker voor gezien Quonezen geloven dat de maatschappij tegen criminaliteit moet worden beschermd, en daar dus rechten van het individu op moeten worden ingeleverd.

In Quon is iemand volwassen wanneer hij de leeftijd van 16 heeft bereikt. Op die leeftijd mag hij trouwen en mag hij zich als gelijke achten van de andere volwassenen. Kinderen worden in Quon gezien als zowel een zegen als een last. Een zegen omdat zij de toekomst zijn, een last omdat kinderen erg hulpbehoevend zijn, en de hardwerkende burgers van Quon naast hun vele werkzaamheden weinig tijd hebben voor de kinderen. Vrouwen in Quon worden namelijk niet gedwongen om het huisvrouwen leven te accepteren, ze hebben de zelfde rechten en plichten. Ongetrouwde vrouwen hebben gelijke kansen als mannen en zouden in hun leven evenveel kunnen doen en bereiken, wanneer een vrouw echter trouwt wordt er wel van haar verwacht dat zij aan haar huwelijksverwachtingen voldoet. Om deze reden worden er de laatste decennia in Quon maar weinig huwelijken gesloten, en dit, samen met een hoge kindersterfte, zorgt ervoor dat de bevolkingsgroei van Quon aan het stagneren is.

Adel & bestuur

Het Keizerrijk Quon wordt op feodale wijze, met een kanttekening, geregeerd. Dit komt er op neer dat de bezitter van al het land, de keizer, delen van zijn land uitleent aan andere edellieden die in zijn naam deze gebieden besturen. Deze edellieden kunnen op hun beurt weer delen van hun land opsplitsen in kleinere landerijen en daar lagere adel over laten regeren. In ruil voor de stukken land die de edellieden mogen beheren, zijn zij hun leenheer (de keizer of een hertog) trouw, militaire steun en belastinggelden verschuldigd. De leenheer op zijn beurt heeft de plicht om zijn leenmannen te steunen en te beschermen wanneer nodig.

In Quon komt dit in de praktijk neer op een stelsel in drie trappen. De keizer is de heer van heel het keizerrijk en heeft die opgedeeld in verschillende provincies die in zijn naam door een hertog bestuurd worden. De hertogen hebben op hun beurt weer de provincies verdeeld in meerdere landerijen die door een graaf of baron geregeerd worden.

De adelstand in Quon kan een verwarrend iets zijn voor hen die niet uit het keizerrijk komen. Er zijn veel verschillende rangen en standen die soms ook overlappen in hun status. De volgende adellijke titels zijn er in Quon:

  • De keizer is de heerser van heel Quon en heeft delen van zijn rijk in leen gegeven aan hertogen, baronnen en graven.
  • Een hertog is de heerser van een provincie en heeft als leenheer alleen de keizer.
  • Een graaf en een baron hebben van een hertog of de keizer een deel van een provincie (een landerij) in leen gekregen. Zij besturen hun gebied in naam van de hertog en keizer en hebben beiden als leenheer.
  • Een jonkheer is iemand van adel die verder geen of titel land bezit. Dit kan de zoon van een hertog, baron of graaf zijn, maar ook iemand die door zijn verdiensten deze titel heeft verkregen
  • Een ridder is iemand van adel die heeft verkozen zich te richten op de strijd. Alhoewel ridders zeer gerespecteerd zijn, is de ridderstand de laagste klasse van adel. Hiervoor moeten zij in het bezit zijn van een paard, volledige metalen wapenuitrusting, een zwaard en moeten zij tot ridder zijn geslagen door een baron, graaf of de keizer. Als ridder zijnde ben je automatisch ook een jonkheer, maar dat betekend niet dat een jonkheer automatisch ridder is. Ook hertogen, graven en baronnen kunnen ridder zijn. Lagere ridders zonder land of hogere titel hebben zichzelf vaak aan een hogere edelman gezworen en zijn op die manier 'in dienst' van een ander.

Het land Quon wordt tegenwoordig bij gebrek aan een keizer centraal bestuurd door de senaat welke samen komt in Tri-Quon. De senaat bestaat uit 45 edellieden, geleerden, magistraten en entrepreneurs welke samen op democratische wijze wetten opstellen en beslissingen van nationaal belang maken. De senaat wordt voorgezeten door de regent, welke het hoofd van het land is. De regent heeft het vetorecht op alle beslissingen die door de senaat worden gemaakt. Ook heeft de regent het recht om magistraten en edellieden te benoemen of uit hun functie te ontheven.

Op lokaal niveau wordt het volk bestuurd door de adellijke families die de landerijen besturen. Baronnen en graven hebben het recht om hun gebied naar eigen inzicht te besturen, maar worden wel immer gecontroleerd door de senaat en de regent.

Provincies, Landerijen & Steden

Het land Quon is opgedeeld in vier provincies, Merthyr, Gadië, de Elvenbossen en At'ac. Aan het hoofd van deze provincies staat een hertog. De provincies zijn weer opgedeeld in verschillende baronieën en graafschappen welke elk worden geleidt door een adellijke familie.

Vlag Merthyr webDe provincie Merthyr is de meest centrale provincie van Quon en huist dan ook de hoofdstad Tri-Quon. De hertogstitel van Merthyr is in de handen van de familie Armitage. Merthyr is de dichtstbevolkte provincie, met vele dorpen en kleine steden die de hoofdstad omcirkelen. Veel van het land is gecultiveerd en wordt gebruikt voor de landbouw. Merthyr is opgedeeld in de volgende landerijen: Clarence, Tri-Quon, Oost-Merthyr, West-Merthyr.

In de provincie Merthyr, omringt door het gelijknamige graafschap, ligt de hoofdstad Tri-Quon. Tri-Quon is al eeuwen lang het centrum van Quon en heeft in die eeuwen vele prachtige bouwwerken zien verschijnen. Het oude centrum staat vol van bouwwerken uit Quonartasillia heerschappij. Tempels, pleinen, monumenten, grote handelshuizen en de Grote Bibliotheek trekken dagelijks duizenden bezoekers. Ten noorden van het oude centrum ligt de Paleisheuvel, waar het immense keizerlijk paleis, haar hofgebouwen en haar grote tuinen liggen. Op de Paleisheuvel zijn ook de luxe residenties van de adel, ambassades en Senaatsgebouwen te vinden. Ten oosten van het oude centrum ligt het nieuwe centrum, waar de meeste ambachten worden bedreven en waar de meeste burgers hun woningen hebben, hoe verder je richting het oosten van het centrum af loopt, hoe armer de wijken en haar bewoners worden. In het zuiden van de stad vind je de Oude Kazerne, wat ooit de Keizerlijke Legioenen huisde maar tegenwoordig dienst doet als parken, arena's en andere plaatsen van vermaak. De Keizerlijke Legioenen zijn tegenwoordig gehuisvest enkele kilometers buiten de stad in de Nieuwe Kazerne.

In de bossen van Clarence ligt een klein dorp verscholen dat ondanks zijn inwonerstal van groot belang is gebleken. Dit dorp, genaamd Boshoek, is de zetel van de familie Smidshamer en is in het verleden het toneel geweest van vele grootse gebeurtenissen zoals de strijd tussen volksheld Calané en de verrader Sanukes, de dood van Destiny, de moord op de bruid van Zasyak; Phaeril, en recentelijk het ontstaan van Nyarayn uit de samensmelting van Aurus en Zasyak. Geleerden vermoeden dan er ergens in of rond Boshoek een sterke bron van oermagie aanwezig moet zijn om al deze gebeurtenissen aan te trekken, maar deze bron is nog niet gevonden.

Fobesum is de grootste stad van het graafschap West-Merthyr en de zetel van de Armitage familie. Deze grote stad, zonder muren, volgt het typische Quoneze beeld van rechte, brede straten en overzichtelijke wijken tot op de letter. Het gezegde gaat dat alleen een blinde kan verdwalen in Fobesum. Vlak naast de stad ligt een middelgroot meer met helderblauw water waar in de zomer vaak gezwommen wordt. Fobesum wordt al enige tijd getijsterd door wilde aardmannen die ergens diep in het bos ten westen zitten. Om deze reden is sinds een jaar een Keizerlijk Legioen, de Legio XVII Merthia gestationeerd in de stad.

Vlag Gadie webDe provincie Gadië is het meest geïndustrialiseerd. Veel van het land is in eerdere jaren platgebrand door de Ranurianen, wat landbouw nog altijd moeilijk maakt. Daarom maakt Gadië gebruik van de grote vlaktes om schapen te fokken voor de wolproductie. Veel textiel wordt hier dan ook gemaakt. Gadië is tevens de enige provincie die aan zee ligt, en is dan ook het grote handelscentrum van Quon. Veel handel met Quenelles en Zar-Vondiël wordt gedreven via de havens van Gadië, welke vervolgens dankzij enkele rivieren de waren naar het achterland vervoeren. De hertogstitel van Gadië ligt in de handen van de familie Van Goswijn, en de provincie is opgedeeld in de volgende landerijen: Het Noordland, Betul, Tristel.

Denar is een grote havenstad in de provincie Gadië en handelt veel met Zar Vondiël. Er wordt ook wel gezegd dat je op een erg heldere dag vanaf de pier het eiland Zar Vondiël al kan zien liggen. De geplaveide straten van Denar zijn vaak vol met scheepslui, handelaren en opportunisten, op zoek naar een kans om extra winst te maken. Sprekend voor de stad is het Oosthof, een groot district met tientallen pakhuizen waar de meest uiteenlopende goederen opgeslagen liggen, wachtend om per boot naar Zar Vondiël of te wagen dieper Quon in gebracht te worden.

In het landerij Tristel is de gelijknamige stad te vinden. Bijna alle goederen die vanuit de havens naar het achterland worden doorgevoerd, komen eerst in de stad Tristel terecht. Het wordt dan ook wel eens gezegd dat wie de eerste keus wil hebben in handelswaren, beter naar Tristel dan naar de hoofdstad van Quon kan reizen. Ook is Tristel de stad waar het graan wordt opgeslagen, om uit te delen aan het volk en om te verhandelen met het buitenland. Naast haar functie als doorvoerstad, staat Tristel bekend om haar dikke muren. Haar noordelijke ligging heeft de stad vaak het slachtoffer gemaakt van belegeringen van de Ranurianen, maar de stad is in al die jaren nooit gevallen, een feit waar de inwoners van Tristel erg trots op zijn.

Triar-Veste is een stad in het noorden van Quon, in de provincie Gadië. De stad ligt hemelsbreed lijnrechts tegenover de Ranuriaanse vestigingsstad Xaels en heeft het dus ook in de oorlogen zwaar te verduren gekregen. Triar-Veste is echter nog nooit volledig ingenomen door de Ranurianen, wat de stad te danken heeft aan haar gigantische muren, torens en de permanente aanwezigheid van twee van de oudste Quoneze legioenen, de Legio XIV Patriae en Legio IX Gadia. Kenmerkend voor deze militair gerichte stad zijn is het grote standbeeld van Magnus Preator Antellis van Douwsmoeder, de eerste generaal van het eerste Keizerlijke Legioen.

Een derde grote stad die in Gadië te vinden is, is het stadje Betulsstad. Gelegen nabij de grens met Ranur is deze stad vaak het toneel geweest van verwoesting en plundering. De ooit glorieuze stad is in de laatste eeuwen vergaan tot een armoedige verzameling van krotten en ruïnes. Toch blijven de inwoners van de stad steevast op die plek wonen gezien er gezegd wordt dat het water wat rond de stad te vinden is, helende krachten zou bezitten.

Vlag Elvenbossen webDe provincie de Elvenbossen bestaat veelal uit bebost gebied. In deze bossen houden zich voornamelijk elven en daarnaast vele verschillende magische wezens op en vele stukken bos zijn nog nooit door mensenogen aanschouwd. Het grootste deel van de landerijen worden dan ook bestuurd door niet-menselijke wezens. Toch zijn de Elvenbossen doorkruisbaar dankzij een netwerk van goed onderhouden wegen dwars door de bossen, valleien en Elvensteden. De hertogin van de Elvenbossen, Vrouwe Nerwen, is tevens benoemd tot koningin van de elven, maar deze titel is vooral symbolisch. De provincie is opgedeeld in de volgende landerijen: Noord-Segralis, Zuid-Segralis, Karlstein, Karlsdal, Martol, Justia, Douwsmoeder, Zaire, Junoha, Rivierseinde en Filistië.

De enige stad in de provincie de Elvenbossen die niet gelegen is diep in de bossen, is de stad Karlstein, te vinden in het gelijknamige landerij. Deze stad wordt doorgaan gezien als het magische centrum van Quon, veel onderzoek naar geschriften en artefacten vindt hier plaats. Ook schijnt er veel te worden geëxperimenteerd met magische vaardigheden die de wet niet toestaat. De stad wordt gezien als dé plek waar geheime genootschappen kunnen samenkomen zonder dat de Senaat hen in de gaten kunnen houden.

De grootste stad diep in de bossen, en tevens de zetel van Vrouwe Nerwen, is de Stad van Smaragd. Deze stad is een typisch elvenfort, vol van sereniteit, levendige natuur en oeroude magie. De stad wordt dan ook voornamelijk bewoont door elven, hoewel andere rassen niet worden geweerd. Er wordt maar weinig handel gedreven met de Stad van Smaragd, gezien de stad zichzelf kan voorzien van alles wat haar inwoners nodig heeft, iets waar veel handelaren zich boos over maken gezien de stad vele prachtige schatten produceert, maar deze voor zichzelf houdt. Tevens zijn in deze stad de oudste tempels te vinden, welke millennia lang bewaard zijn gebleven.

Vlag Atac webDe stad Hoogveld is de grootste stad van het graafschap Zuid-Segralis en de oorspronkelijke zetel van de Vilash familie. Aan de rand van de Elvenbossen staat de stad met haar bruine muren en torens temidden van een uitgestrekt graslandschap, waar Hoogveld ook haar naam aan dankt. Hoogveld is altijd al een rijke stad geweest door haar gunstige ligging voor handel met Diarla en Kendall, en deze rijkdom heeft ervoor gezorgd dat ook de kunsten goed vertegenwoordigd zijn hier. De Galerij van Augustina, vernoemd naar de grondlegger van de Vilash familie, huist enkele van de belangrijkste kunstwerken van Quon.

At'ac
is de kleinste provincie en is heden ten dage niet meer dan een gigantische krater gevuld met as, veroorzaakt door de God Zasyak. Het landschap is voor nu onbewoonbaar. Voorheen was de provincie een woestijnachtig gebied welke veel handel bedreef met Hastaria en Shubië. De hertogstitel van At'ac ligt in de handen van de familie Smidshamer.

Tarantil was tot voor kort ook nog een provincie van het keizerrijk, maar heeft zich tijdens de Ranuriaanse bezetting onafhankelijk verklaard en niet lang daarna aangesloten bij het Vorstendom Quenelles.

Geografie

Als de naar de geografie van Quon kijken vinden we in het noordwesten het Martolia Gebergte, welke een natuurlijke grens vormt met zowel Ranur als een groot deel van Kendall. Deze bergen zijn stijl en gevaarlijk, maar niet onbewoonbaar. Diep in de bergen vind je enkele Orkstammen, maar ook veel gespuis dat zichzelf hier thuis voelt en de bergen als zijn eigen territorium zien. Dit maakt de bergen een gevaarlijke plaats voor onervaren doorreizigers, en vele maken dan ook de keuze om om de bergen heen te reizen in plaats van er over heen.

Vrijwel heel het westen van Quon bestaat uit bebost gebied. Deze Elvenbossen zijn oud, en huizen vele magische wezens en onbekende krachten. Dwalen door de bossen wordt dan ook enkel gedaan door de dapperste avonturiers, gezien de kans dat je wat wonderlijks tegenkomt even groot is als de kans dat je nooit meer terug keert. Dwars door deze bossen liggen tegenwoordig gelukkig duidelijke wegen en paden om je naar je bestemming te leiden. Ze leiden je naar de grote elvensteden vol pracht en praal, maar ook de simpele nederzettingen van jagers en houthandelaars.

Het meeste zuidelijke puntje van Quon bestaat tegenwoordig uit een dor niemandsland waar enkel zand, as en steen te vinden is. Door de duistere magie van de god Zasyak welke op deze plek met veel machtsvertoon zijn verzwakte vader, vond er een gigantische explosie plaats welke het hele landschap in puin achterliet. Hier groeit niets meer en het gebied is dan ook onbewoonbaar verklaard. Zo af en toe wordt het niemandsland doorkruist door wezens opzoek naar rijkdommen die begraven zouden liggen onder de as, maar doorgaans is er geen enkel spoor van leven te vinden in het zuiden.

Het centrale landschap van Quon bestaat voornamelijk uit vruchtbare velden, kleine bossen, heuvels en dalen en kronkelende rivieren. Het land is deels gecultiveerd met akkers, graasvelden, boomgaarden, dorpjes en steden en is over het algemeen makkelijk begaanbaar. Goed onderhouden wegen en bruggen verbinden de nederzettingen met elkaar en maken de handel tussen steden door heel het land mogelijk.
Het noordoosten van Quon, dat zowel grens aan de zee als aan Ranur, bestaat tegenwoordig uit grote grasvlaktes. Doordat in het verleden er in deze streken veel oorlog is gevoerd, is het landschap nooit compleet hersteld. Ruïnes van vestigingen, maar ook inslagkraters van oude magie zijn overal te vinden in deze streek. De grote, lege velden worden tegenwoordig gebruikt om schapen te houden en te hoeden.
De havens in het noordoosten zijn de enige in Quon en zijn dan ook drukbezocht door zowel Quoneze als buitenlandse handelaren. Het zijn smeltpotten van allerlei culturen en de raarste zaken zijn er dan ook te koop. De goederen die in de havens binnenkomen worden vervolgens via de vele wegen naar het achterland vervoerd.

Demografie

De meeste inwoners van Quon zijn mens. Zij leven doorgaans een doorsnee leven van hard werk, een familie starten en genieten van de kleine dingen in het leven. Het zijn ook de mensen in Quon die het handelsnetwerk hebben opgericht en het land draaiende houden. Om die reden zijn het vooral mensen die in hoge posities te vinden zijn, mensen houden de boel draaiende en houden de touwtjes stevig in handen. Ongeveer één derde van de mensen in Quon is magisch begaafd.

Een andere grote bevolkingsgroep in Quon zijn de elven. Zij leven voornamelijk in de Elvenbossen en bemoeien zich maar een enkele keer met de zaken van de mensen. Doordat aan hen een oneindig lang leven is geschonken, spenderen velen van hen hun leven aan het verwerven en beschermen van kennis. Echter, ook steeds meer Elven houden er de levensstijl van de mens er op na. Zij zijn betrokken bij de politiek van het land of proberen rijkdommen te vergaren, en ook de Keizerlijk Legioenen zien steeds meer aanmeldingen van elven. De elven hebben al eeuwenlang een eigen koningin, Vrouwe Nerwen, maar zij heeft in Quon geen formele macht meer.

Naast de mensen en elven leven er nog honderden andere wezens. Quon is het centrum van Erumdar, en dat is terug te zien in de verschillende rassen die over de honderden jaren hun thuis hebben gevonden in het land. Dwergen, Hagedismensen, Orks, Goblins, Dryaden, maar ook allerhande wezens die minder makkelijk in een hokje te plaatsen zijn, zijn te vinden in Quon. De mensen en elven van Quon hebben nooit problemen gehad met deze uitheemse rassen, zij houden tolerantie voor alle wezens hoog in het vaandel, zolang zij maar even trots op Quon zijn als de mensen en elven.

Leger

In de geschiedenis van het keizerrijk kent het land veel oorlogen en conflicten, er zijn weinig generaties geweest die in volledige vrede hebben geleefd. Het is daarom ook niet vreemd dat Quon een goed georganiseerd leger heeft als reactie op de vele bedreigingen die zich buiten haar grenzen bevinden.

Quoneze legioenen
In het jaar 365 Voor Slags werd onder keizer Quintill III de Veroveraar het eerste Keizerlijk Legioen opgericht. In de jaren daarvoor was het leger een ongeorganiseerde samenstelling van krijgers en ridders, iets wat in de ogen van Quintill niet functioneerde.

Zijn eerste legioen bestond uit de beste krijgers die zijn generaals konden vinden en was een erg belangrijk deel in de verovering van Liechtenstein op het Shubische rijk. Na dit succes besloot Quintill, toen benoemd tot Keizer van Quon, dat het keizerrijk een vast leger in de vorm van de Quoneze Legioenen zou hebben.

De Quoneze Legioenen staan in Erumdar bekend als één van de beste strijdmachten. De legionairs zijn, in tegenstelling tot de andere krijgers van Quon, beroepssoldaten. Als iemand zich bij de legioenen wilt aansluiten, gaan daar eerst enkele proeven aan vooraf die de soldaat testen op vaardigheid, discipline en vaderlandsliefde. Mocht de soldaat die proeven doorstaan ontvangt hij zijn eerste wapenrok in de kleuren van het Keizerrijk en begint zijn ware training. Hier zit geen vaste tijd aan, maar de soldaat blijft in deze fase totdat zijn meerdere tevreden zijn en pas dan mag hij zich officieel legionair noemen. Legionairs blijven voor 30 jaar in dienst en ontvangen daarna bij hun ontslag een groot bedrag in zilverstukken en een officieel mandaat waarop hun daden en kwaliteiten staan. In de eerste twee eeuwen van het Keizerrijk kregen de legionairs na de 30 jaar ook nog een stuk land om op te leven, maar het bleek al snel dat het Keizerrijk hier niet groot genoeg voor was. Legionairs genieten van veel aanzien en respect binnen Quon.

De Legioenen kennen de volgende commandostructuur:
  • Tien legionairs (soldaten) vormen een decembrum, de langst dienende legionair in een decembrum is de leidinggevende van zijn tiental soldaten. De legionairs in een decembrum delen een tent, een kookpot en een paard voor hun bagage
  • Vijf decembrums (50 man) vormen een vexillum, een banier. De langst dienende legionair in een vexillum is de leidinggevende van de vijftig soldaten. Een vexillum dankt zijn naam aan de banier die een van de legionairs draagt en die specifiek bij die groep soldaten hoort. Het dragen van de banier wordt als een grote eer gezien
  • Twee vexillii (100 man) vormen een manipel met een centurion aan het hoofd. Een centurion is ook altijd van adel of wordt tot de adelstand verheven en draagt de titel van jonkheer, dit is iets wat pas de laatste eeuwen gedaan wordt.
  • Vijf manipels (500 man) vormen een cohort. Aan het hoofd van een cohort staat een preator die samen met zijn vijf centurions de cohort leidt. In de meeste conflicten waar geen complete legioenen voor nodig zijn is de preator de hoogste in rank en automatisch ook de de facto generaal. Een preator is altijd een ridder of wordt geridderd en draagt dus de adellijke titel van jonkheer.
  • Meerdere cohorten (500+ man) vormen een legioen met aan het hoofd een magnus preator, de generaal van een legioen. De magnus preator is, net als een preator, ook altijd een ridder en draagt de adellijke titel van jonkheer.

Legioenen zijn genummerd en verschillen ook in grootte. Het kleinste legioen bestaat maar uit duizend man en het grootste legioen dat Quon kent bestaat uit 30 cohorten (15000 man). In de oorlog met Ranur waren soms meerdere legioenen actief in één gebied, wat voor zeer grote aantallen strijders zorgde. Naast de bovenstaande structuur kennen de Keizerlijke Legioenen nog enkel speciale rangen:

De consul-generaal is de leidinggevende van alle legioenen. In de volksmond staat deze titel simpelweg als 'generaal' bekend. De huidige consul-generaal is Hercule Helmut Vilash. De consul valt altijd nog onder de keizer of regent, iets wat in het verleden soms voor spanningen tussen de twee machten heeft gezorgd. De consul-generaal is altijd een hooggeplaatste ridder en draagt dus de titel van jonkheer.

De signifer is de vaandeldrager van het hele legioen. Op dit vaandel staat het logo en nummer van het legioen. Het wordt als een grote schande gezien als een legioen haar vaandel kwijt raakt en daarom wordt de signifer altijd door de beste legionairs beschermd. Deze positie wordt gezien als zeer belangrijk en de drager geniet naast veel aanzien ook van een dubbel loon. Ook wordt de signifer bij aanstelling in de adelstand verheven en draagt dan de titel van jonkheer.

Sommige legioenen hebben ook een groep magiërs in hun midden. De magiërs vallen niet binnen de normale structuur, maar zitten samen in een praecant, met aan het hoofd een centurio magus.

Feodale Troepen
Naast de professionele strijdmacht in de vorm van de legioenen, kent Quon ook nog een andere strijdmacht. Dit is geen staand leger en kent eigenlijk ook geen vaste naam; vaak wordt het aangeduid onder de feodale troepen. Onder het feodale systeem kan een hertog of de keizer zijn leenmannen de opdracht geven hem troepen te leveren. Baronnen en Graven kunnen als landsheer in hun eigen landerij rechtstreeks een beroep doen op alle vrije burgers om in hun leger te dienen. In tijd van nood moet elke baronie op vraag van de leenheer een aantal soldeniers leveren. Dit zijn gewone burgers, zonder militaire opleiding. Ze worden bewapend door hun heer, vaak uit zijn eigen financiën, en trekken daardoor vaak ten strijde met simpele en eenvoudige wapens. Goede bepantsering komt minder vaak voor bij deze soldeniers tenzij de burgers daar zelf al over beschikken. De soldaten krijgen van hun heer een klein loon en een wapenrok of surcote in de kleuren van hun baronie, graafschap of hertogdom.

Baronieën of graafschappen langs de kust moeten wanneer gevraagd zorgen voor een vloot voor hun heer. Op bevel moeten ze elk een bepaald aantal schepen uitrusten voor de strijd op zee. De schippers en de vissers worden dan gebruikt als bemanning.

Er zijn ook sommige leenmannen binnen Quon, vaak de houders van grensgebieden, die hun inwoners voorzien van een vorm van wapentraining en betere uitrusting, om zo een betere strijdmacht te kunnen leveren als hun heer er om vraagt.

Het is in de feodale legers dat je ook de meeste ridders zal treffen. Een ridder binnen Quon is een edelman die heeft gekozen om zich niet aan een hof te binden maar zich te wijden aan de strijd. Ridderschap moet verdiend worden en is in Quon niet erfelijk. Alleen een leenheer kan een edelman of edelvrouw tot ridder slaan, iets wat als een hele grote eer gezien wordt. Van elke ridder wordt tijdens oorlogen verlangd dat hij een aantal paarden met zich meebrengt en beschikt over een volledige gepantserde wapenuitrusting. Bovendien moet hij alle bagage, voedsel, tenten en andere benodigdheden voor de strijd zelf aanschaffen. Hoe hoger de stand en het aanzien van de ridder, hoe hoger de gevraagde inspanning. Het ridderschap kent een strakke hiërarchie waarin de graven en baronnen logischerwijs boven de jonkheren staan. Wanneer een leenheer zijn leenmannen oproept om te strijden zijn het vaak de ridders die met het meeste enthousiasme ten tonele komen met een gevolg. Binnen het feodale leger wordt een baron die met zijn soldeniers komt ook als een ridder gezien. Feitelijk is eenieder van adel die met een wapen weet te zwaaien en een pantser kan betalen, al snel ook een ridder binnen Quoneze maatstaven.
In de praktijk is gebleken dat vaak alleen heren en dames die al in adelstand zitten genoeg geld kunnen opbrengen om ridder te worden, maar een enkele keer weet ook een rijke burger het tot ridder te schoppen, die dan ook de titel jonkheer mag dragen.